Jan Arink
(Beltrum, 1919)
lid 3e compagnie DNB
Hij vergeet nooit hoe vooral krijgsgevangenen vooropgaan bij het ruimen van mijnen
Johannes Gerhardus (Jan) Arink wordt geboren in Beltrum, gemeente Eibergen, op 7 maart 1919 als oudste zoon van Jans Arink en Trui Meddeholt. Het is het tweede huwelijk van vader, landbouwer op erve ‘Mentink’ in Beltrum en klompenmaker. Oudste broer Johannes H. (Hendrik) Arink, geboren in 1910 uit het eerste huwelijk van vader, wordt in 1939 opgeroepen voor de mobilisatie. Als het Nederlandse leger in mei 1940 de strijd tegen de bezetter verliest, wordt hij krijgsgevangen gemaakt en op transport gezet naar Kamp Neubrandenburg. In juni komt Hendrik terug naar huis. Dit gebeuren maakt grote indruk op het gezin. Broer Bernardus J. (Bernard) Arink (geboren in 1914, ook uit vaders eerste huwelijk) duikt in de oorlog onder op een boerderij in Zwillbrock, een buurtschap van het Duitse Vreden.
Wanneer Jan zich evenals de andere soldaten weer moet melden in 1943, duikt hij onder. Hij zwerft van boerderij naar boerderij, want thuis onderduiken is geen optie. Constant is hij op de vlucht voor de bezetter. Broer Bernard is al eerder ondergedoken. Bij het ouderlijk huis van Jan zijn wel onderduikers verstopt.
In 1944 wordt Jan Arink lid van de Binnenlandse Strijdkrachten, het strijdend gedeelte van Eibergen. Na de bevrijding van Eibergen en omgeving sluit hij zich midden april 1945 aan als lid van het tweede bataljon derde compagnie van het Dutch National Battalion in de rang van soldaat 1e klas. Als het DNB ophoudt te bestaan in juli 1945, en de mannen van de 3e compagnie een jaarcontract aangeboden krijgen voor indiensttreding van de Nederlandse Landmacht, tekent Jan Arink. Hij komt in dienst van 3-II-8-R.I. Nederland ligt bezaaid met mijnen en niet ontplofte bommen, naar schatting 120.000 ton. Intussen is de Opruimings- en Mijnendienst opgericht. Het werk is een chaos en een druppel op een gloeiende plaat. Arink volgt in België een opleiding voor het ruimen van mijnen. Daarna houdt hij in Roermond toezicht op het werk en bewaakt vooral de krijgsgevangen Duitse soldaten, die ingezet worden en voorop moeten gaan. Jan realiseert zich dat de mijnen in de oorlog geplaatst zijn door de bezetter, maar hij heeft er grote moeite mee, dat vooral de Duitse krijgsgevangenen gevaar lopen het leven te verliezen.
Jan werkt bij een loonwerkersbedrijf met de naam “Foeke”, daarna bij de Draadfabriek in Beltrum. In 1951 gaat hij werken bij de NEDAP in Groenlo en blijft daar tot zijn pensioen. Hij heeft daarnaast nog een boerenbedrijf aan de Beerninkweg 24 in Meddo, voorheen Meddo D65. Zijn broer Hendrik neemt het bedrijf van de ouders over. Jan trouwt op 18 januari 1951 in Eibergen voor de wet en op 26 april 1951 in Beltrum voor de kerk met Anna Margaretha Luttikholt (16.4.1925 – 14.7.1976). Uit dit huwelijk komen vijf kinderen twee zonen en drie dochters.
Jan Arink is overleden op 29 maart 1996 in Meddo, gemeente Winterswijk.







