tickets

Wim en Gerhard Pampiermole

(Aalten, 1920/1924)

staflid en lid 3e compagnie DNB

“Toen wij in de Betuwe kwamen, was echt alles kapot. Foei, foei, wat een bende en wat een stank!”

Wim Pampiermole werd geboren op 27 december 1920 en Gerhard op 22 juli 1924 in het gezin van Derk Jan en Gesina Pampiermole-Hilbelink. Ze woonden op boerderij Kleinpenning in de buurtschap Dale bij Aalten. Ze hadden een oudere broer, Gerrit Jan (1915) en een zuster, Leis (1918).

Een ontmoeting op de Misterweg

Hun oudste broer Gerrit Jan was in 1940 gemobiliseerd soldaat in Brabant; hij keerde na vijf maanden getraumatiseerd terug en sprak nooit over de oorlog. Hij hielp zijn vader met het werk op de boerderij, net als Gerhard. Wim werkte als ambtenaar op de secretarie van de gemeente Aalten.

In de eerste twee oorlogsjaren konden de jongemannen nog gewoon over straat. Op een donkere avond in 1942 trof Gerhard een man op de Misterweg en groette hem met “goeienaovend”. De man antwoordde iets onverstaanbaars. Gerhard haalde zijn broer Wim erbij, die op de mulo zijn talen had geleerd. De vreemdeling bleek een Franstalige Belg, die uit een Duits kamp was ontsnapt. De familie gaf hem voedsel en kleding, waarna Wim hem per trein richting België begeleidde.

Zo begon het verzetswerk van de familie Pampiermole. Steeds vaker lieten zij mensen korte tijd onderduiken of zochten een adres.

Pilotenlijn en Binnenlandse Strijdkrachten

Wim werkte als ambtenaar op de afdeling Bevolking van de gemeente Aalten. Vanaf het voorjaar van 1943 was hij, samen met zijn leidinggevenden Muus Visser en Frans Bult, het contactpersoon voor het verzet wat betreft valse persoonsbewijzen. Vooral militairen en jonge mannen die de Arbeitseinsatz in Duitsland weigerden, werden geholpen.

In september 1944 doken de vijftien secretarieambtenaren onder. Wim, opererend onder de schuilnaam ‘Karel’, sloot zich aan bij de pilotenlijn in Lichtenvoorde (met Hendrik Leemreize, Joep ter Haar en Henk Hulshof). Hij stond bekend om zijn moed en zijn ‘arendsogen’ in het aardedonker.

In februari 1945 begeleidde hij de gestrande RAF-piloten Hanson en Cheeseman ‘s nachts dwars over de velden naar een veilige plek. Hanson schreef in zijn boek ‘Sprong in het duister’ dat ‘Karel’ goed Engels sprak. Ook schreef hij over hem:

“Bij daglicht zag ik een lange, magere snuiter met een fris gezicht, slim, met gevoel voor humor. Zijn diepliggende ogen stonden in rust nadenkend, maar begonnen te fonkelen als hij opgewonden raakte. Hij kon voorzichtig en met gedisciplineerde zelfverzekerdheid optreden, tot in het overdrevene toe, dat had hij de afgelopen nacht wel bewezen.”

Op een dag begeleidde hij samen met een verzetsvriend geallieerde militairen in de trein naar Brabant. Toen ze in Oisterwijk arriveerden, was er controle van de Sicherheitsdienst. Wim en zijn makker hadden een vals persoonsbewijs, maar de groep Fransen had niets. Het liep goed af, de controle stopte op tijd.

Voor broer Gerhard werd het thuis eind 1944 te gevaarlijk. Overal loerden landwachten (“zwarten”) met geweren die onderduikers oppakten. Wim regelde voor hem een permanent onderduikadres bij de verzetsfamilie Kamperman in Vragender, waar het een komen en gaan was van onderduikers.

De broers Wim en Gerhard waren lid van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) in Lichtenvoorde en Groenlo, strijdend gedeelte. Wim was al snel de rechterhand van NBS-commandant Jan Tinge. Als er wapeninstructie was aan het verzet, gaf Karel bijstand bij het reinigen van de wapens.

Inzet bij het Dutch National Battalion

Op 30 maart 1945, de dag dat Aalten werd bevrijd, stuurde Jan Tinge ‘Karel’ dwars door de Duitse linies naar Aalten om het Engelse leger te informeren over de situatie rond Groenlo en Eibergen. De broers sloten zich direct aan bij het Dutch National Battalion (DNB) en trokken met het Canadese leger mee over de Veluwe. Gerhard was lid van de 3e compagnie en Wim was lid van de staf van sectiecommandant Jan Tinge.

In mei 1945 reden ze via Renkum en Arnhem naar de Betuwe, waar de 3e compagnie bij Dodewaard de securitylijn tussen West- en Oost-Nederland bewaakte. De mannen zagen een niemandsland. Alles was verwoest en de bevolking geëvacueerd. De rottende kadavers van vee gaven een walgelijke stank en bovendien lagen overal mijnen. De compagnie bewaakte gevangengenomen Duitse soldaten. Tot slot moesten ze in Tiel de geweren en goederen verbranden, die in heel Nederland door de Duitsers waren buitgemaakt. Het werden grote smeulende en stinkende hopen.

Na de oorlog

In juli 1945 hervatte Wim zijn werk als gemeenteambtenaar in Aalten. Hij trouwde in 1953 met Thea Koopmans, maatschappelijk werkster uit Loenen aan de Vecht. Ze woonden aan de Bredevoortsestraatweg. Hij overleed op 25 januari 2001 in Winterswijk.

Gerhard tekende bij voor dienst bij de Landmacht (II.8. Regiment Infanterie), volgde een opleiding en ruimde mijnen op. Later vertelde hij daarover: “De Duitse gevangenen moesten het werk doen en de Nederlanders deden de bewaking. Er sneuvelde regelmatig iemand”. Na zijn diensttijd werd hij timmerman in Aalten. en trouwde met zijn buurmeisje Liene Lankhof. Ze woonden in een nieuwgebouwd huis aan de Beerninkweg, naast het ouderlijk huis. Ze krijgen een zoon en een dochter. Hij overleed op 6 maart 2023 in Aalten, 98 jaar oud.

Wim en Gerhard Pampiermole

Wim (links) en Gerhard Pampiermole