De Varsseveldse familie Levy in onderduik

Vanaf september 1942 zit Joop samen met zijn ouders Philip en Elwine Levy-Meyer ondergedoken bij de familie Ebbers in Lintelo. Ze mogen niet naar buiten! Ze slapen eerst in een kamertje in huis, maar later in een schuilhok boven de paardenstal. Ook zoon Jan slaapt daar, omdat hij de arbeidsdienst weigert. Op Joops achtste verjaardag in oktober 1943 brengt een koerier van het verzet een houten speelgoedvliegtuig. Het is gemaakt door neef Jonny Levy en een Russische piloot bij de familie Geurink. Drie weken voor de bevrijding is er een gevaarlijke situatie: 70 Duitse soldaten verblijven twee weken lang op de boerderij. ’s Nachts slapen die boven het schuilhok van Levy. Het loopt goed af. Joop Levy noemt zich vandaag ‘een grote geluksvogel’ en zegt: “Een held is iemand die zijn leven waagt, terwijl hij er niets voor vraagt”.

Het buitengebied van onze grensstreek was uitermate geschikt om als schuilplaats te dienen voor opgejaagden. Wij hebben hier een rijk geschakeerd landschap, met bossen en veel struikgewas, talrijke boerderijen met schuren en destijds minder toegankelijke toegangswegen, veel hooibergen, die voor mensen die hier onbekend zijn meestal onoverzichtelijk leken. In deze regio gold een onbaatzuchtige gastvrijheid tegenover de vluchteling, de onderduiker. Die werd meestal opgenomen in gezinsverband en maakte deel uit van het gezin. De helpers beschouwden het als hun christenplicht de ander onderdak te bieden en op deze manier lijdelijk verzet te bieden tegen het schrikbewind van de bezetter. Uit veel van de verzamelde verhalen blijkt dat de onderduikers zich veilig voelden bij hun gastgezin. Zij merkten dat Duitse soldaten die aan de deur kwamen overtuigend werden afgetroefd. Maar vooral dat men uitermate goed zijn mond kon houden. Vaak ook tegenover familie en buren. Ook de kinderen werd de kunst van het ‘horen, zien en zwijgen’ terdege bijgebracht.

Vliegtuigje Joop Levy
Vliegtuigje Levy Geurink

De dames Jolink en hun hulp

Lees bijvoorbeeld het verhaal van de Joodse Ivy Philips. Zijn vader is al weggevoerd naar Westerbork. Dan komt een oproep voor de vijftienjarige Joodse Ivy, zijn moeder en jongere broer Maurits. Ivy legt die terzijde en fietst samen met een vriendje naar de Achterhoek. Via de dames Jolink in Varsseveld komt hij in 1943 bij de familie Groot Nibbelink-Harmelink op ‘De Nieuwe Roesse’ in De Heurne bij Dinxperlo. Hij werkt er als Jan Klinkenberg of Jan van de Roesse mee als knecht en slaapt in de naburige schuur van de familie Kwerreveld op boerderij De Kiewiet. Het toeval wil dat Ivy’s nicht Bep Frankenhuis ook de oorlog overleeft in Dinxperlo. Zie de map voor haar verhaal. Ivy maakt veel mee en zijn oorlogsbelevenissen worden in 2015 gepubliceerd. Zijn dagboeken, agenda’s en foto’s schenkt Ivy Philips aan museum Markt 12 in Aalten.

Familie over de grens als uitkomst

Ook in andere verhalen kunnen mensen elkaar vertrouwen en hulp bieden. Cor Verheule uit Utrecht werkt in Bremen, maar heeft difterie en mag in januari 1943 naar huis. Door een dominee en via ome Jan in Aalten komt hij bij Heusinkveld-Hartemink op de Haart. Bij razzia’s vlucht hij de schuilkelder in van de buren, die een ingang heeft op Nederlands en een uitgang op Duits grondgebied. In 1952 trouwt Cor met de zus van zijn onderduikfamilie.

Wildenbeest uit Breedenbroek moet zich melden voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Hij gaat als knecht naar zijn oom in Suderwick. Hij neemt deel aan het Duitse familieleven op nog geen kilometer afstand van de grens met Nederland. De kinderen Kopatz in Suderwick zijn als wezen in de jaren dertig ‘verdeeld’ onder een aantal boeren in de buurt. Eén van de zonen wil niet in militaire dienst en vertrekt naar zijn getrouwde zus, die in Assen woont. Daar duikt hij onder en komt zo veilig de oorlog door.

De Bark en de executie Rademakersbroek

Vanaf november 1944 is de onbewoonde boerderij ‘de Bark’ in De Heurne de uitvalsbasis van de gecombineerde knokploeg Varsseveld/Aalten (LKP). Het is een hechte groep van 25 à 30 jonge mannen van allerlei herkomst die daar vergadert en traint. Als op 26 februari 1945 Duitse militairen de boerderij kort bezoeken neemt de groep het besluit hen te liquideren. Er wordt een ongeluk geënsceneerd, maar de ontploffing en brand slaagt slechts gedeeltelijk. De Duitsers zien direct wat er is gebeurd en hun represailles zijn vreselijk. Op 2 maart 1945 vindt op het Rademakersbroek, tussen Varsseveld en Aalten, ter hoogte van boerderij ‘de Tol’, de executie plaats van 46 mannen en jongens. Ze zijn ‘politieke’ gevangenen uit de gevangenis de Kruisberg te Doetinchem en afkomstig uit heel Nederland. De groep van de LKP in de Bark verspreidt zich dan over de omgeving. Het duurt nog een maand tot de bevrijding. In zijn boek ‘Mosquito Down’ uit 2014 schrijft de piloot Frank Dell, die naast de Bark in het Somsenhuus was ondergedoken samen met andere piloten, uitgebreid over de fatale gebeurtenissen die plaatsvonden in zijn onderduikbuurt en de Bark.

De Landelijke Hulp aan Onderduikers (LO)

De LO is geboren in de Achterhoek. Verzetsleider van de Achterhoek Jan Wikkerink (alias Ome Jan) schreef na de oorlog “de Achterhoeker toont een taaie vasthoudendheid zodra voor hem de maat vol is.” De helpers beschouwden het als hun christenplicht de ander onderdak te bieden en zo verzet te bieden tegen de nazi’s. Het is niet voor niets dat de LO, de Landelijke Hulp aan Onderduikers, is geboren door de samenballing van moedige mensen uit de Achterhoek zoals Heleen Kuipers-Rietberg (Tante Riek) uit Winterswijk die nauw contact onderhield met ome Jan. Het netwerk vertakte zich snel tot een brede en efficiënte landelijke hulporganisatie, mede door de bezielde en wervende preken van dominee Fredrik Slomp. Uit veel van de verzamelde verhalen blijkt dat de onderduikers zich veilig voelden bij hun gastgezin. Zij merkten dat Duitse soldaten aan de deur overtuigend werden afgetroefd. Maar vooral dat men uitermate goed zijn mond kon houden. Vaak ook tegenover familie en buren.

Ook de kinderen werd de kunst van het horen, zien en zwijgen’ terdege bijgebracht. Velen hebben de oorlog echter niet overleefd, zoals tante Riek, Gradus Kobus, dokter Der Weduwen, Cornelis Ruizendaal alias zwarte Kees, de 46 mannen die geëxecuteerd werden in het Rademakersbroek bij Varsseveld. De piloten en zij die omkwamen bij bombardementen, opgepakt zijn en vermoord in de kampen, de onbeschrijflijke moord op de Joodse burgers. Velen zijn ook gered door onder te duiken of door mazzel en toeval. Deze verhalen zijn met voorwerpen uit de tijd zelf te zien in de expositie. Op het laatste moment zijn daaraan nog de onderscheidingen van geredde piloot Roy Kay toegevoegd, die aan het museum zijn geschonken door zijn weduwe.

De expositie ‘Onderduiken in de grensstreek’ is nog te bezichtigen t/m 28 augustus in het Nationaal Onderduikmuseum, Markt 12 in Aalten.

Contact

Stel hier uw vraag en wij beantwoorden deze zo snel als mogelijk.

Overdracht vliegtuigje Joop Levy aan Nationaal Onderduikmuseum in Aalten